De Poolse taal = Polszczyzna of Jezyk Polski
Net zoals het Tsjechisch en Slowaaks is ook het Pools een West-Slavische taal, vanuit de Indo-Europese talen. Deze talen komen veel met elkaar overeen, toch zijn ze niet wederzijds verstaanbaar. De West-Slavische bevolking was veelal Rooms-katholiek, terwijl de Oost-Slavische bewoners het Oosters Orthodoxe christendom aanhielden. Daarom gebruiken de West-Slavische volken het Romeinse alfabet, dat ook de omliggende landen gebruikten. Het Pools maakt gebruik van het Latijnse (Romeinse) alfabet en telt 32 letters, waarbij men de q, v en x niet kent in het Pools alfabet met uitzondering van leenwoorden. De extra letters met diakritische tekens compenseren de beperking van alle klanken van de Poolse taal.
Sinds Polen lid is van de Europese Unie zijn in Nederland en België veel Polen werkzaam en spreken dus hier hun moedertaal. Omdat na de Tweede Wereldoorlog veel Joden in Polen en Tsjechië naar Israël trokken is momenteel voor 100.000 inwoners daar nog steeds Pools de moedertaal. De Poolse taal wordt gesproken in Polen zelf, Duitsland, Litouwen, Wit-Rusland, Oekraïne en dan Israël. Ook in de Verenigde Staten wordt Pools gesproken. In totaal zijn het circa 40 miljoen mensen die de Poolse taal als moedertaal gebruiken.
Informatie over de verschillende Poolse dialecten
Het Pools kent weinig dialecten. De meeste Polen spreken de standaardtaal. Er zijn vijf grote dialectgroepen: Groot-Pools (rond Poznañ), Klein-Pools ( rond Krakau), Mazovisch (rond Warschau), Silezisch (in Opper-Silezië) en Kasjoebisch (ten westen van Gdansk). De kleinere dialectgroepen zijn: Podhale-dialect (van de bergbewoners) en Kresy, dat nog door de ouderen wordt gesproken. Het Kasjoebische en Silezische dialect worden tegenwoordig beschouwd als aparte, zelfstandige talen.
De spreektaal van de Lechitische talen kenmerkt zich door de Proto-Slavische nasaal klanken.
Ook de sterk gepalataliseerde medeklinkers (palataliseren = een vorm van articulatie van de medeklinker, waardoor deze zachter wordt uitgesproken) zijn een kenmerk voor de Poolse taal en een vast woordaccent op de een na laatste lettergreep, paroxytona.
Bij de Poolse spelling worden voor een aantal klanken (fonemen), lettercombinaties gebruikt, zoals de ch, cz en sz.
De grammatica kent zeven naamvallen en de verbuigingen van zelfstandige voornaamwoorden en de vervoegingen van de werkwoorden zijn erg gecompliceerd. En als laatste is een opmerkelijk punt dat de Pools taal geen lidwoorden kent. Dit is typisch voor een Slavische taal.